Johann Sebastian Bach

Johann Sebastian Bach werd in 1685 geboren in Eisenach, in een grote familie van musici in Thüringen. Al jong verloor hij zijn ouders en groeide hij op bij zijn oudere broer, die hem orgel leerde spelen. Later werkte hij als organist en hofmusicus in onder meer Arnstadt, Mühlhausen en Weimar. In 1717 werd hij kapelmeester aan het hof van Köthen, waar hij vooral instrumentale muziek schreef, zoals de Brandenburgse concerten. In 1723 verhuisde hij naar Leipzig, waar hij als muziekdirecteur van de stad en haar kerken verantwoordelijk werd voor de muziek in de vier hoofdkerken, de kerkdiensten en het onderwijs aan de Thomasschool. Bach was een overtuigd lutheraan en schreef het grootste deel van zijn muziek voor de kerk. Tijdens zijn leven werd Bach vooral gewaardeerd als briljant orgelspeler en kenner van het contrapunt. Hij overleed in 1750 in Leipzig. Pas in de negentiende eeuw groeide hij, mede dankzij Felix Mendelssohn die de Matthäus-Passion voor het eerst in honderd jaar weer opvoerde, uit tot een van de grootste componisten uit de muziekgeschiedenis.